Is de niet-ingehouden bedrijfsvoorheffing altijd een voordeel van alle aard in hoofde van de begunstigde van de bezoldigingen?
Artikel van 11/06/2011
1°) De context:
Het onderwerp raakt steeds meer bekend.
Een vennootschap kent bezoldigingen toe aan een van zijn bedrijfsleiders zonder inhouding van de bedrijfsvoorheffing.
De voorheffing wordt door de administratie berekend en ingekohierd.
Moet die ingehouden voorheffing systematisch worden toegevoegd aan de bezoldiging als voordeel van alle aard?
2°) Het is misschien toevallig, maar er vielen onlangs heel wat beslissingen over deze problematiek.
Het gaat om de volgende vonnissen en arresten: Rechtb. Luik 3 maart 2010 (rol 00/2991/A), hof van beroep Luik (13 januari 2010, commentaar in Fiscalnet, Nieuwtjes van 17 juni 2010), rechtb. Bergen (7 oktober 2010, rol 02/538/A).
In deze drie beslissingen verklaarde de bevoegde rechter dat de inhouding van de bedrijfsvoorheffing verplicht was.
We zijn daar niet zeker van.
We stelden daarom de volgende vraag:
Is de niet-ingehouden en door de administratie ingekohierde bedrijfsvoorheffing een voordeel van alle aard in hoofde van de bedrijfsleider?
3°) Het standpunt van de rechtbanken
Na erop te hebben gewezen dat de inhouding van de bedrijfsvoorheffing verplicht is, antwoordden de twee rechtbanken die met het probleem van de toevoeging van de niet-ingehouden bedrijfsvoorheffing aan de bezoldiging werden geconfronteerd bevestigend.
De meest aangehaalde referentie is die van Bergen.
4°) Commentaren:
Ons lijkt het dat de hoven en rechtbanken die zich over deze problematiek moesten uitspreken te hard van stapel lopen.
Dat de voorheffing moet worden toegevoegd lijkt de facto zo.
De hoven en rechtbank baseren zich op een arrest van het Hof van Cassatie van 16 januari 1992 (R.G nr. F1124F) dat alsvolgt luidt:
"Gelet op enerzijds de eerste van de overwegingen (van het hof van beroep) kan men niet wettelijk afleiden dat het bedrag van de bedrijfsvoorheffing niet in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de belastbare grondslag;
Overwegende dat krachtens de artikelen 26, alinea 2, 2° uit het WIB zoals gewijzigd door artikel 5 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de begrotingsontwerpen 1979-1980, en 27, alinea 1, alinea 2, 2° uit dat wetboek de als beroepsinkomsten belastbare bezoldigingen in het bijzonder de voordelen van alle aard bevatten die de bestuurder verkrijgt omwille van of bij de uitoefening van zijn mandaat.
Als we veronderstellen dat de vennootschap de verplichting om de bedrijfsvoorheffing te betalen niet betwist en die opgeeft in de debet van de rekening-courant van zijn bedrijfsleider, kan er geen sprake meer zijn van een voordeel van alle aard.
De vennootschap draagt in dat geval de voorheffing niet.
5°) Conclusie:
We raden de bedrijfsleider of zijn vennootschap niet aan om de inhouding van de voorheffing te betwisten, want dat verliezen ze bij voorbaat, maar om ze direct in de boekhouding te boeken onder:
Courant bedrijfsleider
Te betalen voorheffing.
Dat zal ervoor zorgen dat de progressiviteit van de belasting geen enkele impact zal hebben bij de berekening van de definitieve bijdrage (dat wil zeggen na verrekening van de voorheffing) in hoofde van de bedrijfsleider aangezien de voorheffing niet aan zijn bezoldiging moet worden toegevoegd.
Op een of andere manier zal de belasting net als de oorlog van Troje niet plaatsvinden.
We wijzen er nog op dat de administratie zelf die mogelijkheid voorzag in een stokoude circulaire van 1980. U vindt ze terug in het Bull. Bel. van datzelfde jaar.
Samah Dugardin en Luc Michel
Accountants en belastingconsulenten
i-Heb Management
